Pagina:Darwin - Het ontstaan der soorten (1860).djvu/150

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
134
OVER DE NATUURKEUS.

grondvorm zijn afgeweken, zonder ooit nieuwe takken of rassen afgegeven te hebben.

Na tienduizend generatiën stellen wij dat soort A heeft voortgebragt drie vormen a10, f10 en m10, welke, wijl hunne kenmerken gedurende de opvolgende generatiën zóó ver uiteengespreid, zóó uiteenloopend zijn geworden, nu misschien in ongelijke mate zoowel onderling van elkander als van hunnen gemeenschappelijken voorvader verschillen. Al vooronderstellen wij dat de som der wijzigingen, tusschen elke dwarslijn onzer teekening voorgevallen, uiterst gering is geweest, dan toch moeten die drie vormen desniettemin wel te erkennen rassen zijn geworden, of wel zij zullen misschien tot de twijfelachtige afdeeling der ondersoorten gerekend moeten worden. Doch wij hebben niets meer te doen dan te vooronderstellen dat de som der wijzigingen grooter geweest is, om te zien dat onze drie vormen den naam van soorten verdienen: het is daartoe genoeg dat wij ons verbeelden dat de som der wijzigingen tusschen elke dwarslijn niet rassen maar soorten betreft. Door op die wijze gedurende vele volgende generatiën voort te gaan—bovenaan op de teekening op eene verkorte en vereenvoudigde wijze door dikkere, gestippelde lijnen aangewezen—verkrijgen wij acht soorten, gemerkt door de letters tusschen a14 en m14, die allen van A afkomstig zijn. Zoo worden, geloof ik, de soorten vermenigvuldigd en de geslachten gevormd.

Het is waarschijnlijk dat in een groot geslacht meer dan eene soort zal veranderen. Op de teekening heb ik voorgesteld dat eene tweede soort, I, op dergelijke wijze na tienduizend generatiën heeft voortgebragt òf twee rassen, w10 en z10, òf twee soorten, al naar dat wij de vooronderstelde wijzigingen tusschen de dwarslijnen kleiner of grooter aannemen. Na veertienduizend generatiën zijn er, stellen wij, zes nieuwe soorten voortgebragt, gemerkt door de letters n14 tot z14. In elk geslacht zullen de soorten, welke reeds zeer onderscheiden in kenmerken zijn, in het algemeen streven om het grootste getal