Pagina:Darwin - Het ontstaan der soorten (1860).djvu/158

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
142
OVER DE NATUURKEUS.

getal jongen zullen voortbrengen. Ook zal de sexuele keus aan de mannelijke individuen alleen bijzondere kenmerken geven, die hen van nut zijn in hunnen strijd tegen andere mannetjes.

Dat de natuurkeus waarlijk zóó in de natuur gewerkt heeft, dat zij namelijk de verschillende vormen des levens gewijzigd en geschikt gemaakt heeft voor de verschillende voorwaarden en woonplaatsen, blijkt uit de algemeene verhoudingen der wezens, die wij in de volgende hoofdstukken zullen behandelen. Doch hoe zij ook tevens de uitsterving bewerkt, en hoe krachtig de uitsterving in de geschiedenis der aarde heeft ingegrepen, wordt ons door de geologie krachtiglijk bewezen. Ook leidt de natuurkeus tot uiteenspreiding der kenmerken. Er kunnen des te meer levende schepselen binnen zekeren omtrek bestaan, hoe meer zij uiteenloopen in ligchaamsinrigting, gewoonten en levenswijs, waarvan wij het bewijs zien in de bewoners van eene kleine plek of in schepselen die ergens inheemsch zijn gemaakt. Daarom, hoe meer gewijzigd en uiteenloopend de wezens, die van de eene of andere soort afstammen, worden, des te grooter zal hunne kans op overwinning zijn in den strijd des levens. Daardoor trachten de geringe verschillen, die de rassen der zelfde soort onderscheiden, steeds grooter te worden, totdat zij gelijk worden aan de grootere verschillen tusschen de soorten van het zelfde geslacht, of zelfs van onderscheidene geslachten.

Wij hebben gezien dat het de gemeene, de wijd uitgebreide, de ver reikende en tot de grootere geslachten behoorende soorten zijn, welke het meest veranderen, en dat dezen aan hare gewijzigde afstammelingen die voordeelen trachten over te dragen, welke haar tot de heerschende soorten in haar eigen gewest maken. De natuurkeus leidt, gelijk wij zoo even gezien hebben, tot de uiteenspreiding der kenmerken en tot het uitsterven van de minder verbeterde vormen. Daaruit, meen ik, kan de natuur der verwantschappen van alle bewerktuigde wezens tot elkander