Pagina:Darwin - Het ontstaan der soorten (1860).djvu/159

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
143
OVERZIGT.

verklaard worden. Het is een waarlijk wonderbaar feit—wij merken het zelden op omdat het ons zoo dagelijks voor oogen komt—dat alle dieren en alle planten, van alle tijden en van alle plaatsen, vereenigd zijn in groepen ondergeschikt aan groepen, namelijk op deze wijze: rassen van de zelfde soort zijn naauw aan elkander verwant; soorten van het zelfde geslacht zijn minder naauw aan elkander verwant en vormen sectiën en ondergeslachten; soorten van verschillende geslachten zijn nog minder naauw verwant, en geslachten onderling nog minder, en vormen onderfamiliën, familiën, orden, onderklassen en klassen. De onderscheidene ondergeschikte groepen eener klasse kunnen niet op eene rei, maar schijnen eerder rondom zekere punten gerangschikt te moeten worden, en dezen weder rondom andere punten, en zoo vervolgens in een bijna eindeloos getal van cirkels. Uit het oogpunt dat elke soort onafhankelijk van de andere geschapen is, zie ik geen mogelijkheid om dit groote feit in de rangschikking der wezens te verklaren: maar naar mijn gevoelen wordt het duidelijk verklaard door de erfelijkheid en de zamengestelde werking der natuurkeus, die de uitsterving en de uiteenspreiding der kenmerken ten gevolge heeft, zooals wij door onze teekening bewezen hebben.

De onderlinge verwantschappen aller wezens van de zelfde klasse zijn somtijds bij eenen boom vergeleken. Ik vind dat die vergelijking zeer goed is. De groene en met bladeren bezette twijgen stellen de bestaande soorten voor; en die twijgen welke in elk vorig jaar zijn gevormd, kunnen de vele uitgestorvene soorten voorstellen. In elk tijdperk van den groei hebben alle twijgen getracht zich naar alle kanten te vertakken, en verder te groeijen dan de omringende twijgen en takken; op de zelfde wijze als soorten en groepen van soorten getracht hebben andere soorten in den grooten levensstrijd te overmeesteren. De hoofdtakken, verdeeld in dunnere takken, en dezen wederom in al dunneren en dunneren, waren eens, toen