Pagina:Darwin - Het ontstaan der soorten (1860).djvu/184

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
168
OVER DE WETTEN DER VERANDERLIJKHEID.

geleken met de andere soorten van het zelfde geslacht, mogen wij daaruit besluiten dat dit deel eene zeer groote som van wijzigingen voorstelt, opgehoopt sedert het tijdvak waarin de soort afweek van den gemeenen stamvader van het geslacht. Dat tijdvak is zelden zeer ver verwijderd, wijl de soorten hoogst zelden langer dan een geologisch tijdperk duren. Eene groote som van wijzigingen vooronderstelt eene lang aanhoudende veranderlijkheid, welke onophoudelijk door de natuurkeus opgehoopt is geworden ten voordeele van de soort. Maar als die veranderlijkheid reeds groot is sedert een niet lang verleden tijdvak, dan mogen wij aannemen, dat zij nog veel grooter zal zijn indien zij sedert een nog langer verleden tijdperk heeft bestaan. En dit is ook zoo. Dat de strijd tusschen de natuurkeus aan den eenen kant en de neiging tot terugkeer en tot veranderlijkheid aan den anderen kant, na verloop van tijd zal eindigen, en dat de meest van den gewonen vorm afwijkende werktuigen standvastig en blijvend gemaakt kunnen worden, is eene zaak waaraan ik niet in het minst twijfel. Daarom, als een werktuig, hoe afwijkend van vorm het ook zijn moge, overgebragt is in vermoedelijk den zelfden toestand aan vele gewijzigde afstammelingen, zooals met den vleugel der vleêrmuis het geval is, dan moet het ook, volgens mijne leer, gedurende een onmetelijk lang tijdsverloop in bijna den zelfden staat bestaan hebben, en zoodoende wordt het niet meer veranderlijk dan eene andere inrigting. Het is slechts in zulke gevallen waarin de wijziging betrekkelijk nieuw en zeer groot is, dat wij de generatieve veranderlijkheid, zooals zij geheeten mag worden, in hoogen graad werkzaam vinden. Want in die gevallen is de veranderlijkheid zelden of nooit vastgezet geworden door het aanhoudende uitkiezen van zulke individuen die in het gevorderde opzigt afwijken, en door het aanhoudende verwerpen van de zulken die neiging hadden om tot een vroegeren en minder gewijzigden staat terug te keeren.