Pagina:Darwin - Het ontstaan der soorten (1860).djvu/191

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
175
TERUGKEER TOT VOOROUDERLIJKE KENMERKEN.

ratiën weder voort te brengen eene onmogelijkheid zou zijn, als wij zien dat zelfs geheel nuttelooze of slechts in beginsel aanwezige werktuigen erfelijk zijn. En dit laatste is volkomen waar: in den gewonen leeuwenbek, Antirrhinum, vindt men zoo dikwijls een beginsel van een vijfden meeldraad, dat die plant eene erfelijke neiging moet bezitten om hem voort te brengen.

Als alle soorten van het zelfde geslacht van een gemeenen stamvader afkomstig zijn, kan men verwachten dat allen soms op eene gelijke wijze zullen veranderen, zoodat een ras eener soort in sommige kenmerken op eene andere soort zal gelijken; zijnde die soort naar mijn gevoelen niets anders dan een wel gekenmerkt en blijvend ras. Doch kenmerken, welke op die wijze verkregen zijn, zullen waarschijnlijk zeer onbelangrijk zijn, want het bestaan van alle belangrijke kenmerken wordt door de natuurkeus bestuurd in overeenstemming met de verschillende gewoonten der soorten, en blijft volstrekt niet overgeleverd aan de wederzijdsche werking van de levensvoorwaarden en van de erfelijkheid. Verder mag men verwachten dat de soorten van het zelfde geslacht bij gelegenheid tot de verlorene voorvaderlijke kenmerken zullen terugkeeren. Daar wij evenwel nooit het ware kenmerk van den stamvader der groep kennen, kunnen wij niet uitmaken wat in deze twee gevallen waarheid is. Als wij, bij voorbeeld, niet wisten dat de wilde duif geen bevederde pooten en geen halskraag had, zouden wij nooit weten te zeggen of die kenmerken bij onze tamme rassen een terugkeer of slechts wijzigingen zijn; maar wij mogen van de leikleur zeggen dat zij eene terugkeer is, want dit blijkt uit het getal der dwarsstrepen welke die kleur steeds vergezellen, en het is niet denkbaar dat die kleur en die strepen bij elkander eenvoudig een gevolg van verandering zouden zijn. Te meer nog mogen wij dit besluiten daar die blaauwe kleur en die dwarsstrepen zoo dikwijls verschijnen als verschillende rassen van onderscheidene kleuren gekruist worden. Derhalve, ofschoon het in den natuurstaat meestal twijfelachtig blijft wat aan een