Pagina:Darwin - Het ontstaan der soorten (1860).djvu/215

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
199
VERANDERDE GEWOONTEN.

Cinclus aquaticus, nooit vermoeden dat die vogel onder water geleefd had, en echter, dit ongelijke lid van de overigens nooit in het water komende lijsterfamilie bestaat slechts door zijn onderduiken, terwijl hij over den bodem des waters heen loopt en zijne vleugelen onder water gebruikt.

Hij, die gelooft dat elk wezen geschapen is zooals wij het nu zien, moet nu en dan wel eens zeer verwonderd zijn geweest, als hij een dier zag, welks gewoonten en ligchaamsinrigting volstrekt niet met elkander overeenkwamen. Wat kan beter ingerigt zijn om te zwemmen dan de pooten met zwemvliezen van eenden en ganzen, en echter bestaat er eene gans, de Anser leucopterus, die zelden of nooit te water gaat. Niemand, behalve audubon, heeft de fregatvogel, Fregata, die zwemvliezen heeft tusschen alle vier teenen, op zee zien zwemmen. Aan den anderen kant fuuten, Podiceps, en koeten, Fulica, zijn echte watervogels, ofschoon zij geene zwemvliezen tusschen de teenen hebben, daar die slechts met lobben zijn omzoomd. Wat kan duidelijker zijn dan dat de lange teenen der steltloopers, grallatoren, gevormd zijn om over de drijvende bladeren van waterplanten te loopen, en echter is het waterhoen, Gallinulu chloropus, bijna even goed een zwemvogel als de koet; en de kwartelkoning, Crex pratensis, is evenzeer een landvogel als de patrijs of de kwartel. In zulke gevallen—en die zijn er veel—zijn de gewoonten veranderd zonder dat de ligchaamsinrigting in gelijke mate veranderd is. Van den poot met zwemvliezen der bovengenoemde gans kan men zeggen dat hij wel in verrigting maar niet in inrigting teruggegaan is. Het korte vlies tusschen de teenen van den fregatvogel bewijst dat de inrigting begonnen is te veranderen.

Hij, die gelooft in afzonderlijke en ontelbare scheppingen, zal zeggen dat het in deze gevallen aan den Schepper heeft behaagd te maken dat een wezen van zekeren vorm de plaats innam van een ander van een anderen vorm; doch zoo iets schijnt mij toe niets anders te zijn, dan de zelfde zaak met