Pagina:Darwin - Het ontstaan der soorten (1860).djvu/230

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
214
BEZWAREN TEGEN DE LEER.

den mensch te streelen, of wel louter voor de afwisseling. Als die leer waarheid was, zou zij noodlottig zijn voor de mijne. Ik geloof eerder dat vele inrigtingen niet van onmiddellijk nut zijn voor hare bezitters. Physische voorwaarden hebben waarschijnlijk eenigen invloed op de bewerktuiging gehad, volkomen onafhankelijk van het nut dat op die wijze verkregen is. Het verband der deelen gedurende den groei heeft zekerlijk eene groote rol gespeeld, en eene nuttige wijziging van een deel zal dikwijls in andere deelen veranderingen veroorzaakt hebben, die niet onmiddellijk nuttig waren. De uitwerkselen der sexuele keus, als zij slechts zekere mate van schoonheid veroorzaakten om de wijfjes te behagen, kan slechts in eene overdrevene opvatting nuttig genoemd worden. Doch verre de belangrijkste zaak is deze, dat het voornaamste gedeelte der bewerktuiging van elk wezen eenvoudig te danken is aan de erfelijkheid, en gevolgelijk, ofschoon elk wezen voorzeker wel geschikt is voor zijne plaats in de natuur, hebben toch vele inrigtingen tegenwoordig geene onmiddellijke betrekking tot de levenswijze van elke soort. Zoo kunnen wij niet gelooven dat de poot met zwemvliezen van den fregatvogel bijzonder nuttig voor het dier is; wij kunnen niet gelooven dat de zelfde beenderen in den arm van den aap, in den voorpoot van het paard, in den vleugelpoot van de vleermuis, en in den vinpoot van den rob van bijzonder nut voor die dieren zijn. Die inrigtingen mogen wij veilig aan de erfelijkheid toeschrijven. Maar voor den stamvader van den fregatvogel was een poot met zwemvliezen ongetwijfeld even nuttig als zulk een werktuig nu is voor den thans levenden vogel, die het meest den naam van watervogel verdient. Zoo mogen wij gelooven dat de stamvader van den rob geen vinpoot had, maar een poot met vijf teenen, geschikt om te loopen en te krabben. Verder mogen wij aannemen dat de beenderen in de voorste ledematen van den aap, het paard en de vleêrmuis, welke van eenen stamvader geërfd zijn, voor-