Pagina:Darwin - Het ontstaan der soorten (1860).djvu/53

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
39
DE AFKOMST DER TAMME DUIF.

ver dat zelfs de geslachtboom en het ras aangegeven worden." In 1600 werden in Indie door akber kahn de duiven zeer hoog gewaardeerd; er werden nooit minder dan 20 000 duiven voor de hofhouding aangekocht. De hofschrijver van den genoemden vorst zegt: "de vorsten van Iran en Turan zonden hem eenige zeer zeldzame duiven, en wijl Zijne Majesteit die rassen kruiste, eene handelwijze die men nooit te voren gedaan had, zoo verbeterde hij hen grootelijks." In dien zelfden tijd waren de Hollanders even verzot op duiven als vroeger de oude Romeinen. Van hoeveel belang dit alles geweest is in het voortbrengen van de menigvuldige rassen onder de duiven, zullen wij later meer bepaald aantoonen. Eene omstandigheid welke het ontstaan van verschillende rassen ten hoogste begunstigt, is deze, dat het zeer gemakkelijk valt te maken dat de mannelijke en de vrouwelijke individuen voor het geheele leven verbonden blijven, en dat derhalve verschillende rassen bij elkander in een hok kunnen huizen, zonder zich met elkander te vermengen.

Ik heb hier eenigzins uitvoerig over de afkomst onzer tamme duiven gesproken, hoewel nog geenszins uitvoerig genoeg; vooral omdat, toen ik eerst begon duiven te houden en de verschillende rassen te bestuderen, ik niet kon gelooven dat zij van een algemeenen stamvader afkomstig waren; gelijk men voorzeker eveneens op het zelfde denkbeeld moet komen als men de verschillende soorten van vinken beschouwt. Vooral het volgende heeft mij zeer getroflen, namelijk dat alle veefokkers en plantkweekers, die ik gesproken heb, of wier geschriften ik gelezen heb, vast overtuigd zijn dat de verschillende rassen van evenveel verschillende wilde soorten afstammen. Vraag eens, zooals ik gedaan heb, aan een engelschen veefokker, of zijn korthoornig Hereford-rund van langhoornig rundvee afstamt, en zie dan eens hoe medelijdend hij glimlacht. Ik heb nooit een fokker van eenden, hoenders, duiven of konijnen kunnen vinden, die niet vast overtuigd