Pagina:Darwin - Het ontstaan der soorten (1860).djvu/65

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
51
OMSTANDIGHEDEN DIE GUNSTIG ZIJN VOOR DE KEUS.

zettelijke keuze hebben genoemd, mede, om de kenmerkende bijzonderheden daarvan langzamerhand te vergrooten. Maar op het bezitten van eene geschiedenis dier langzame, verschillende en onmerkbare wijzigingen bestaat al zeer weinig kans.

Wij moeten nu nog iets zeggen over de omstandigheden, welke voor den invloed van den mensch op de veranderingen der rassen gunstig of ongunstig zijn. Eene zeer groote veranderlijkheid is zekerlijk gunstig, wijl zij de keuze zeer gemakkelijk moet maken: eene enkele individuele afwijking is reeds eene overvloedige bron van groote veranderingen, indien zij slechts met de uiterste zorg behandeld wordt. Doch wijl zulke wijzigingen, die voor den mensch zeer nuttig of aangenaam zijn, slechts nu en dan voorkomen, zoo spreekt het van zelf dat de kans om de zoodanigen aan te treffen des te grooter is, hoe grooter het getal der individuen is die gehouden worden: daarom is dit laatste voorzeker van het grootste belang. Om die reden zegt marshall teregt, sprekende over de schapen in sommige gedeelten van Yorkshire: "daar zij meestal aan arme lieden behooren en zij in kleine kudden leven, zoo kunnen zij nooit veredeld worden." Aan den anderen kant zijn plantkweekers, wijl zij geheele velden met de zelfde gewassen bezetten, in het algemeen veel gelukkiger dan liefhebbers in het vinden van nieuwe en goede verscheidenheden. Het houden van een groot getal individuen van eene soort in zeker gewest vordert dat de soort in zulke gunstige levensvoorwaarden geplaatst moet zijn, dat zij in staat is om zich als in het wild te kunnen voortplanten. Wanneer de individuen van eene soort schaars zijn, moeten allen, hetzij zij goede hoedanigheden hebben of niet, gewoonlijk ter voortplanting dienen, en dit zal natuurlijk zeer schadelijk zijn voor het doen eener keuze. Het belangrijkste in dezen is echter misschien het volgende: een dier of eene plant moet zoo nuttig voor den mensch zijn, of zoo hoog door hem gewaardeerd worden, dat de grootste opmerkzaamheid, zelfs op de geringste afwijkingen in de eigen-