Pagina:Darwin - Het ontstaan der soorten (1860).djvu/64

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
50
OVER DE VERANDERINGEN IN DEN TAMMEN STAAT.

dachte keuze. Misschien had de voorvader van alle paauwstaarten slechts veertien min of meer uitgespreide staartpennen, gelijk de tegenwoordige javaansche paauwstaart, of gelijk sommige individuen van andere rassen, bij welke men somtijds zeventien staartpennen heeft geteld. Misschien zette de eerste kropper zijn krop niet meer uit, dan nu het meeuwtje het bovenste gedeelte van zijnen slokdarm doet.

Het zijn niet groote afwijkingen alleen die in staat zijn het oog van den duivefokker tot zich te trekken, hij ontdekt zelfs zeer kleine verschillen: het ligt in de menschelijke natuur eene groote waarde te hechten aan de eene of andere nieuwigheid, al is zij ook nog zoo gering, mits zij slechts in zijn bezit is. En dat is altijd zoo geweest en zal altijd zoo blijven. Niet zelden ontstaan er ook thans geringe wijzigingen onder de duiven, welke verworpen worden als gebreken, of als strijdig tegen hetgeen men zich verbeeldt dat de volmaaktheid van het ras uitmaakt.

Dit alles nu, dunkt mij, verklaart hoe het komt dat wij niets weten van het begin der geschiedenis onzer tamme dieren. Het is waar, van een ras, gelijk van den tongval eener taal, kan men bezwaarlijk zeggen dat het een bepaald begin heeft gehad. Iemand bezigt een individu, dat in zeker opzigt een weinig afwijkt, ter voortplanting, of hij draagt meer dan gewoonlijk zorg om zijne beste dieren daartoe te bestemmen; hij verbetert zoodoende het ras, en de verbeterde afstammelingen worden langzamerhand in den onmiddellijken omtrek verspreid. Maar nog hebben zij geen bijzonderen naam verkregen, en wijl ook hunne waarde niet zeer veel verhoogd is, let men niet op hunne geschiedenis. Dan eerst als zij op de zelfde langzame wijze verder veredeld worden, geraken zij ook in wijderen omtrek verspreid, en worden zij naar waarde geschat en bekend, ook verkrijgen zij dan voor het eerst een eigen naam. Zoodra de waarde van een nieuw onderras eenmaal voor goed erkend is, helpt datgene hetwelk wij de onop-