Pagina:Darwin - Het ontstaan der soorten (1860).djvu/76

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
62
OVER DE VERANDERINGEN IN DEN NATUURSTAAT.

houden, want hij weet niets van de wijzigingen waaraan de groep onderworpen is. Doch als hij zijne aandacht vestigt op eene klasse in eene bepaalde landstreek te huis behoorende, zal het hem weldra duidelijk worden hoe hij de meeste twijfelachtige vormen moet rangschikken. Zijn hoofdstreven zal zijn veel soorten te maken, want het zal hem treffen hoe groot het verschil is in de vormen die hij bestudeert, en hij heeft geen algemeene kennis genoeg van het verschil in de vormen van andere groepen en in andere landen, om zijne eerste indrukken te matigen en te wijzen. Als hij den kring zijner waarnemingen verder uitstrekt, zal hij nog grooter zwarigheden ontmoeten, want hij zal een des te grooter getal van naverwante vormen aantreffen. Maar als hij zijne waarnemingen in zeer wijden omtrek doet, zal hij eindelijk in staat geraken om een oordeel uit te spreken over soorten en rassen; doch hij zal daar niet toe komen dan onder het bekennen dat de wijzigingen groot zijn—en dat zal door vele natuurkundigen bestreden worden. En begint hij dan verwante vormen uit landen die tegenwoordig van elkander gescheiden zijn, te bestuderen, dan zullen ook zijne bezwaren in de zelfde mate grooter worden, want hij zal in dat geval nog minder kans hebben om de overgangen tusschen de twijfelachtige vormen aan te treffen, en moet hij bijna al zijne hoop stellen op de analogie.

Zekerlijk, tot heden is er nog geene duidelijke lijn van afscheiding, geen grenslijn getrokken tusschen soorten en ondersoorten, dat is die vormen welke naar het gevoelen van eenige natuurkundigen wel zeer na komen aan soorten, maar niet volkomen de kenmerken eener soort vertoonen; tusschen ondersoorten en rassen; tusschen geringere verscheidenheden en individuele verschillen. Al die onderscheidingen versmelten in elkander en vormen eene onafgebrokene reeks, en eene reeks geeft ons den indruk van eenen onmerkbaren overgang. Daarom zijn de individuele verschillen, ofschoon van zeer weinig, ja van geen het minste belang voor den systematicus,