Pagina:Darwin - Het ontstaan der soorten (1860).djvu/93

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
79
BELETSELEN VOOR DE VERMEERDERING.

dood worden. Aan den anderen kant zijn er ook dieren, zooals de olifant en het neushoorndier, die niet door roofdieren gedood worden, zelfs de tijger in Indie durft zelden een jongen olifant, die door zijne moeder beschermd wordt, aanvallen.

Ook het weder speelt eene groote rol in de bepaling van het getal dieren eener soort: ik geloof dat zeer koude of zeer droge tijden wel in de eerste plaats onder de middelen ter beteugeling van eene al te groote vermeerdering genoemd mogen worden. Ik houd het er voor dat de winter van 1854—1855 vier vijfden van de vogelen op mijne landerijen heeft vernield, en dit is eene ontzaggelijke sterke vernieling, als wij bedenken dat tien procent eene buitengewoon groote sterfte is gedurende eene epidemie onder het menschdom. De invloed van het klimaat schijnt in den eersten opslag niets te maken te hebben met den strijd voor het bestaan, maar in zoo verre als het klimaat vooral werkt op de vermindering van het voedsel, geeft het dus wel degelijk aanleiding tot den hevigsten strijd tusschen de individuen, hetzij van de zelfde of van eene verschillende soort, die van het zelfde voedsel moeten leven. En als het klimaat onmiddellijk werkt, zooals door zeer strenge koude, dan zullen die dieren het meest te lijden hebben, welke het zwakste zijn, of welke reeds eenigen tijd te voren gebrek aan voedsel hebben gevoeld. Als wij van het zuiden naar het noorden of van een vochtig gewest naar een droog reizen, zien wij steeds dat sommige soorten al zeldzamer en zeldzamer worden en eindelijk geheel verdwijnen, en—wijl het verschil en de afwisseling van het klimaat duidelijk te bespeuren zijn—worden wij zeer genegen om dat alles aan den onmiddellijken invloed van het klimaat te wijten. Doch die meening is valsch: wij vergeten dat elke soort, zelfs waar zij het overvloedigst aanwezig is, standvastig aan eene zeer groote vernieling in zeker tijdperk haars levens is blootgesteld, door vijanden of mededingers naar de zelfde woonplaats of het zelfde voedsel; en als die mededingers slechts iets, al is het ook nog zoo