Pagina:Darwin - Het ontstaan der soorten (1860).djvu/92

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
78
OVER DEN STRIJD VOOR HET BESTAAN.

het geval. Bij de planten worden wel is waar vele zaadkorrels vernietigd, doch eenige waarnemingen, die ik gedaan heb, doen mij gelooven dat het vooral de jonge zaailingen, als zij zich beginnen te ontwikkelen, zijn, die het meest te lijden hebben, door het ontkiemen in eenen grond, welke reeds digt met andere planten is begroeid. Ook jonge planten gaan in menigte door verschillende vijandelijke oorzaken ten gronde. Ik zonderde een stuk gronds, drie voet lang en twee voet breed, af, spitte het om en zuiverde het van alle planten, zoodat er geen mogelijkheid bestond dat de zaailingen, welke op die plek zouden opslaan, door andere planten verstikt konden worden. Ik telde en merkte vervolgens al de zaailingen onzer gewone zoogenoemde onkruiden, naarmate zij opsloegen; en zie, van de 357 werden er niet minder dan 295 verwoest en vernield, vooral door landslakken en insekten. Als eene weide kort gemaaid en ook eveneens als zij door het vee zeer kaal geweid is, en zij vervolgens aan zich zelve wordt overgelaten, dan zal men zien dat de krachtigste planten langzamerhand de zwakkeren en kleineren dooden, hoewel de laatsten volwassen zijn: van twintig soorten die op een klein plekje—drie voet breed en vier voet lang—groeiden, heb ik gezien dat er negen soorten stierven door het welig opschieten der overigen.

De hoeveelheid voedsel voor elke soort bepaalt de natuurlijke grens tot welke zij zich in getal kan uitbreiden; doch zeer dikwijls is het niet de mogelijkheid om voedsel te kunnen verkrijgen, maar wel of de soort zelve tot voedsel voor andere wezens verstrekt, hetwelk het getal van eene soort bepaalt. Bij voorbeeld, er is geen twijfel aan of het bestaan van patrijzen en hazen is afhankelijk van de uitroeijing van roofdieren. Al werd er in de eerstvolgende twintig jaren geen enkel stuk wild geschoten, en als er tevens in den zelfden tijd geen enkele vos vernietigd werd, dan zou er hoogst waarschijnlijk minder wild gevonden worden dan tegenwoordig, niettegenstaande er thans jaarlijks honderd en duizend stuks wild ge-