Pagina:De Levende Natuur - vol. 001 (1896).pdf/11

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen
3
HET SNEEUWKLOKJE

Het Sneeuwklokje.

Geen mensch groot of klein, die niet weet dat er sneeuwklokjes in de wereld zijn; daar hebben de dichters van echte verzen en van aardige kinderrijmpjes gelukkig voor gezorgd.

Zoo'n sneeuwklokje dat de lente inluidt, is dan ook een dankbaar voorwerp om te bedichten; aan de versjes, die zijn naam tot opschrift hebben, heeft het plantje 't zeker ook te danken, dat er nog al eens een potje van verkocht wordt op de bloemenmarkten.

Zelf zoeken is veel aardiger; ja, dat staat in heel veel leesboekjes voor. de jeugd, en dat is ook zoo. Ongelukkig is ons plantje lang niet overal te vinden; in streken met vochtige bosschen kun je op een plekje, waar zelden iemand komt, wel eens een goede vondst van sneeuwklokjes doen; maar dat blijft altijd een buitenkansje.

Want het is nu eenmaal niet anders; wie een wild sneeuwklokje vindt, plukt het ook. Dat is niet erg; als het maar bij plukken blijft; uit de bol, die in de grond blijft zitten (net een uitje) komt in het volgend jaar toch wel weer een nieuw plantje; maar, diep uitsteken met bol en wortel, en in eigen tuin of op het eigen land zetten, dat doen de meeste boeren en tuinlui; daar kan deze wilde plant gewoonlijk best tegen, maar daardoor wordt die ook hoe langer - hoe zeldzamer.

Zie je ergens op een land aan de kant van een sloot sneeuwklokjes groeien, kijk dan eerst eens uit, of ze daar ook soms gekweekt kunnen zijn, anders kon je bij het plukken wel eens een hark of een ander boerenwerktuig naar je ooren krijgen, en zoon beleefde waarschuwing, achter een hooiberg van daan, kan hard aankomen; dat weet menige jongen bij ondervinding.

In de groote steden zijn de sneeuwklokjes veel meer bekend, dan in de kleinere plaatsen. Voor villa's ziet men ze ook nog al vaak.

Bij een tuinman treft men ze lang niet altijd, en heeft hij ze, dan geeft hij ze voor een prikje.

De bloemisten hebben er niet heel veel mee op. Zij noemen ze soms koppig, omdat deze planten zich niet laten dwingen zooals lelietjes van dalen en crocussen en zooveel andere voorjaarsplanten, die men al in December of Januari in bloei kan zien, voor de vensters van alle bloemwinkels.

Snijdt men in September een bol open, dan blijkt daarin al bloem en blad aanwezig te zijn. Het plantje heeft dus niet veel groeitijd noodig, zoo redeneert ge, en ge brengt er in October of wat later een aantal uit de tuin, waar ze al boven de grond kwamen, in de kamer over. om tegen Kerstmis iemand met een ruiker sneeuwklokjes te kunnen verrassen.

Spaar uw moeite; een paar blaadjes kunt ge er uit optrekken, een zwak, ziekelijk, bloemknopje laat zich even kijken tusschen de twee spichtige blaadjes in, maar verder komt het plantje in de meeste gevallen niet. Het laat zich niet goed trekken; noch in de koude noch in de warme kas. Het blijft zijn taak getrouw; het luidt de lente in, niet de winter.

En toch kan het plantje niet zoo goed tegen de koude, als ge 'w'ellicht denkt; dat wil zeggen: de bol en het jonge spruitje vriezen niet licht dood; maar, hangt het klokje eens vroolijk te bengelen in de lentezon, dan moet er geen erg strenge vorst meer komen, of het krijgt een knauw, waarvan het niet licht weer op komt.

Bij zoo'n onverwachts invallende. vorst, ziet ge tot uw schrik de groene blaadjes slap neervallen en vaalkleurig worden; het bloempje daarentegen en de stengel, waarop het staat, houden zich taai. Dat is niets, zegt ge, als ik de bloem maar niet kwijt raak.

Maar jawel; de vorst is van de baan, en uw sneeuwklokje? Kijk, de blaadjes hebben zich hersteld; die zijn weer zoo frisch als te voren, maar het jonge, reine, witte bloempje, dat zich zoo goed scheen te houden, is vergeeld, verloren; het hangt slap en dood tegen de verzwakte stengel.

Dat is een leelijke trek, die de late vorst u gespeeld heeft, niet waar? Waarom juist de bloem te vernietigen?

Ja, u was de bloem het liefste. Maar de natuur behield liever de bladeren, en die had schoon gelijk, zooals altijd. Met de bloem is niet alles verloren; wel is het bolletje in de grond, dat de bloem van voedsel voorzag, uitgeput; maar in de groene bladeren, die beter tegen late vorst bestand bleken dan de bloem, kan weer nieuw voedsel gemaakt worden; er vormt zich weer een nieuwe flinke volle bol, en in 't volgend jaar komt er ook opnieuw een sneeuwklokje uit omhoog kijken.

Toch is er met de bloem wel iets verloren gegaan; toch is er aan de plant zelf ook wel schade berokkend. Want ging het elk jaar zoo door, stierf elk jaar de bloem, als die pas is ontloken, dan zou de plant eindelijk sterven; eeuwig leven doet geen dier of plant, net zoo min als een mensch.

De bloem is er wel degelijk noodig, om te zorgen dat de sneeuwklokjes niet langzamerhand nietiger worden en eindelijk uitsterven.


ontbreekt fig. 1 en fig. 2


Dat lieve blanke klokje, met zijn drie groene boogjes en zijn goudgeel hartje, dat zoo sierlijk in de lentewind kan wiegelen op de slanke, dunne stengel, kijk het nog