Pagina:Een klein heldendicht.djvu/29

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


En zij verhief zich, en trok zich zacht uit,
het kleine dasje en haar wol'ge jak,
en rok en broek en kousen. En haar hemd
trok zij over haar hoofd en armen heen.
En zij bleef nog wat denken in de scheemring
onder de zoldring. En ging toen in bed,
en legde zich onder de dekens neer.
Haar lijf was vol, en vast haar hart daarin.
Zij lag daar stil zooals een jonge boom.
En denkende aan het Doel sliep zij in.

's Nachts sluipt er rond een God. Dat is de Moed.
Die gaat door achterstraten, en daar waar
de hooge huizen der arbeiders zijn.
En waar zij liggen duister in de scheemring
met hun vrouw, met hunne broers en zusters,
maakt hij ze vast en moedig. De nacht geeft
ze sterker aan het licht dan zij ze nam.

25