Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/34

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
8
GODS GROOTHEID.

2.

Zelfs gij kunt onzen God niet kennen,
 Gij Geesten van het hemelhof!
Gij zijne grootheid niet bevatten,
 En wat zou dan de zoon van stof?
Vrijmagtig, eeuwig, onbeschrijflijk
 Voor menschentong en Englenstem,
Bestaat Hij enkel door zich zelven,
 En al, wat is, bestaat door Hem.

3.

Hij wenkt; en millioenen wezens
 En werelden, als ’t zand der zee,
Zijn door dien wenk aan ’t niet onttogen,
 En Hij deelt zich aan allen meê:
En zulk een God gedenkt ook mijner!
 Hij schiep het stof, Hij schiep ook mij.
Dacht Gij ook aan een’ worm, een made?
 Oneindig God! dacht Gij aan mij?

4.

Maar, toen die God voor mij, godloozen,
 Zijn’ Zoon ter kruisstraf overliet,
Zoo groot, zoo godlijk, zoo oneindig
 Zie ik Hem in de schepping niet.
’k Aanbid U, nooit begrepen Liefde!
 Ik zink, mijn Vader, God en Heer!
Voor U, in sprakelooz’ aanbidding,
 Bedwelmd door uwe grootheid, neêr.

VI.