Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/35

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
9

VI.

GODS EEUWIGHEID.

1.

Oneindig Wezen! door geen’ tijd
 Beperkt, of ooit bewogen,
Het denkbeeld, dat Gij eeuwig zijt,
 Verzwelgt mijn denkvermogen.
Al peinz’ ik eeuwen zonder tal,
Ik weet niet, hoe ik ’t vatten zal,
 Gij waart en blijft steeds eeuwig.

2.

Geen nieuwe zon schoot nog haar licht
 Op hare wereldbollen.
Men hoorde nog geen lofgedicht
 Van Englentongen rollen;
Het drooge was nog niet, geen meir
Dreef nog op ’t vlakke ginds en weêr,
 En toen reeds waart Gij eeuwig.

3.

Gij zaagt reeds van all’ eeuwigheid,
 ’t Aanstaand heelal yerschijnen;
Maar blijft dezelfde Majesteit,
 Wat word’, of moog verdwijnen.
Van d’Engel tot den worm in ’t zand ,
Bepaalt Gij ieders lot en stand,
 En noemt het al bij name.

4.

Uw wereld duurt reeds eeuwen voort,
 Door U steeds onderhouden;
Haast komt haar einde naar Uw woord,
 Reeds zien wij haar verouden:
Maar nimmer groeit uw jaartal aan,
Gij zult in eeuwigheid bestaan,
 Gij zult dezelfde blijven.

Ja,
B