Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/36

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
10
GODS EEUWIGHEID.

5.

Ja, eeuwig blijft Gij ’t geen Gij zijt.
 Wat heb ik dan te vreezen?
Gij zult, in nood en dood, altijd
 Mijn rots, mijn toevlugt wezen,
Uw trouw en uw erbarming is
Zoo eeuwig, als uw wezen is:
 Heil mij! die daar op bouwe!

6.

Mijn ligchaam sterft, maar niet mijn geest,
 Dien zal ik U vertrouwen.
O troost! daar Gij mij zelf op weest,
 Eens zal ik U aanschouwen!
Mijn ligchaam rust slechts voor een poot,
Dan zal ik bij U eindeloos,
 Volmaakt gelukkig leven.

7.

Schoon alles om mij heen vergaat,
 ’k Heb geen vergaan te vreezea;
Voor uwen troon, die eeuwig staat,
 Zal ik ook eeuwig wezen.
Gij hebt de hoogste zaligheid
Uw vrienden eeuwig toegezeid;
 Ook mij, ook mij voor eeuwig!

8.

O God! die mij d’onsterflijkheid
 Daar boven eens zult schenken,
Houd mij voor uwe komst bereid,
 Laat mij daar aan steeds denken:
Die zij mijn troost, mijn dierbaarst goed,
Die sterke mij met kracht en moed,
 Om tot uw eer te leven.

VII.