Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/37

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
11

VII.

GODS OVERALTEGENWOORDIGHEID.

1.

Op bergen en in dalen,
 En overal is God!
Waar wij ook immer dwalen,
 Of zitten, daar is God;
Waar mijn gedachten zweven,
 Of stijgen, daar is God;
Omlaag en hoog verheven,
 Ja, overal is God!

2.

Zijn trouwe Vaderoogen
 Zien alles van nabij;
Wie steunt op zijn vermogen,
 Dien dekt en zegent Hij:
Hij hoort de jonge raven,
 Bekleedt met gras het dal;
Heeft zelfs voor wormen gaven,
 Ja, zorgt voor ’t gansch heelal.

3.

Gij aardrijks woest gewemel,
 Gij, die in ’t water zweeft,
Of onder zijnen hemel,
 Of in zijn’ hemel leeft.
Gij alle zijne werken
 Ontdekt bij dag en nacht,
In ’t voeden, hoeden, sterken,
 De goedheid zijner magt.

4. Roem
B 2