Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/38

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
12
GODS OVERALTEGENWOORDIGHEID.

4.

Roem, Christen! aan mijn slinke,
 En regter zijd’ is God;
Waar ’k magtloos nederzinke,
 Of bitter lijd’, is God:
Waar trouwe vriendenhanden
 Niet redden, daar is God;
In dood en doodsche banden.
 Ja, overal is God!

VIII.

GODS ONVERANDERLIJKHEID.

1.

O God! eer ’t aardrijk was gegrond,
Eer G’al, wat eenmaal niet bestond,
 Uit niet riept in het wezen;
Eer d’aanvang was van plaats en tijd,
Waart G’alles, wat Gij heden zijt,
 Oneindig, nooit volprezen.

2.

En dan, als van ’t gesloopt heelal
Geen spoor meer over wezen zal,
 Zult Gij dezelfde blijven:
Uw grootheid en uw wonderkracht
Verbergt geen ondoordringbre nacht.
 Zijn in geen perk t’omschrijven.

3.

Gij zijt, en niets bestaat als Gij,
En aard en hemel gaan voorbij
 Als dampen, die verdwenen:
Hun zijn is als d’ontleende glans
Der wolken aan den hemeltrans,
 Van ’t zonnelicht beschenen.

4. Gij