Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/39

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
GODS OVERALTEGENWOORDIGHEID.

4.

Gij zijt al ’t geen Gij eeuwig waart,
Behoeft noch hemelheir noch aard.
 Noch duizend wereldklooten:
Geen schepping, hoe volmaakt z’ook zij,
Voegt iets tot uw volmaaktheid bij,
 Niets kan haar ooit vergrooten.

5.

U zelv’ genoeg, U zelv’ gelijk,
Schoon alles buiten U bezwijk’,
 Schoon werelden verouden,
Gij blijft; uw Evangeliewoord
Zal eeuwig met U ongestoord
 Zijn kracht en stand behouden.

6.

Dat berg en heuvel nederstort’,
Dat klip en rots verbrijzeld word’,
 Dat aard en zee verdwijnen;
O God! uw eeuwig heilverbond
Rust op een’ onverwrikbren grond,
 Dien niets kan ondermijnen.

7.

Wat klaag ik in ’t verdwaasd gemoed,
Wat zucht ik dan om nietig goed
 Van ’t onbestendig leven!
Wat jaag ik naar een broos genot,
Als of mij van geen duurzaam lot
 Verzeekring waar gegeven!

8.

Wat klaag ik, die uw woord ontving
Van volle schuldvernietiging,
 Door Jezus bloed verkregen,
Van eeuwig erfdeel in het licht
Van uw vertroostend aangezigt,
 Ver boven aardschen zegen!

9. Ge
B 3