Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/40

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
14
GODS ONVERANDERLIJKHEID.

9.

Gewis, mijn misdrijf is geboet,
Gij hebt m’om Jezus dierbaar bloed
 Genadig aangenomen;
Uw liefde leidt mij bij de hand,
En ik, ik heb het onderpand
 Van uw gena’ bekomen.

10.

Ja, U behoor ik, U, mijn God,
Beschikker van geheel mijn lot!
 Van U zal niets mij scheiden
De wereldvreugd vergaat met haar,
Maar Gij zijt onveranderbaar;
 Uw heil wil ik verbeiden.

IX.

GODS ALWETENDHEID.

1.

Waar zijn de wijzen, die mij zeggen
 Al ’t geen de hooge Godheid kent?
Wat stervling weet mij uit te leggen,
 Waar Gods verftand begint en endt?
Hem, in ’t onnaakbaar licht gezeten,
 Heeft nimmer menschenoog gezien,
Hoe is zijn naam? zoudt gij hem weten?
 Wat eindig schepsel noemt mij dien?

2.

Zoo ik d’ontelbre starrenheiren,
 Elk deeltje van het licht der zon,
Elk zandj’ aan d’oevers van de meiren,
 Van hunnen oorsprong, tellen kon;
Zoo zou ik mooglijk wijzer wezen,
 Dan immer mensch of Engel wordt,
Maar ’k schoot bij U, alwetend Wezen!
 Nog onbegrijplijk veel te kort.

3. Uw