Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/41

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
GODS ALWETENDHEID.

3.

Uw alziend’ oogen, Heer! doorloopen
 ’t Heelal, hoe groot, hoe uitgebreid:
Voor U ligt ieder schepsel open,
 En ieder punt van d’eeuwigheid.
O Gij, die ’t al weet op te noemen,
 Wat was, wat is, wat worden zal,
Wie kan naar eisch uw kennis roemen?
 God! uw verstand heeft geen getal.

4.

Ja, U bewondren, U vertrouwen
 Is ’t eerst, dat mij mijn hart gebiedt;
Met eerbied mag ik U beschouwen,
 Maar U begrijpen kan ik niet.
Naar ’t heerlijk licht van uwe wooning
 Zoek ik met onverzaadbren lust:
Dat ziet G’ en brengt, tot mijn belooning,
 Verstand en hart in U tot nut.

5.

Uw alziend oog schrikt m’af van ’t kwade,
 Van zelfsbedrog en huichlarij;
Ik denk, Gods oogen slaan mij gade,
 Hoe diep ik ook verborgen zij.
Voor Hem kan mij geen afgrond dekken,
 Geen valsche schijn bedriegt zijn oog,
Dat oog zou mij nog schrik verwekken,
 Waar ’t mooglijk, dat ik d’aard ontvloog.

6.

Wie kan zijn eigen hart vertrouwen,
 Zijn hart, zoo vol arglistigheid?
Gij blijft het, Heer! geheel doorschouwen,
 Daar ’t voor U naakt en open leit.
Treft Gij mij aan op booze wegen,
 Zoo leid mij op de regte baan;
Dan lacht mij in het eind de zegen
 Van ongeveinsde godsvrucht aan.

X.