Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/42

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

16

X.

GODS ALMAGT.

1.

Oneindig’ God! het nietig stof
Poogt tot uw’ zetel doortedringen,
 Om staamlend uwe grootheid lof,
Uw almagt glorie toetezingen.
Och! dat ons hart opregt uw eer bedoel’,
 Zijn niet befeff’, zijn onmagt diep gevoel’!

2.

Uw oppertmagt reikt verder. Heer!
Dan aarde, zee, en hemel reiken;
 Uw adem werpt den ceder neêr.
En velt de honderdjarig’ eiken:
Daar siddren wij, en toch vertoont die kracht
 De schaduw slechts van uw geduchte magt.

3.

Natuur voelt op uw enkel woord
Zich tot uw godlijk doel beperken;
 Gij zet uw wijz’ ontwerpen voort,
En ’t gansch heelal moet medewerken :
Gij spreekt, het is; Gij wenkt, het staat reeds daar,
 Wat immer was, en zonder U nooit waar.

4.

Uw wil riep zonnen uit het niet,
Daar dreven z’op uw welbehagen;
 En waar het oog uw’ hemel ziet.
Hij meldt de magt, die hem blijft schragen;
Meldt, dat de wenk, die hem heeft uitgerekt,
 Hem en zijn heir ten eeuwgen pijlaar strekt.

5. Gij