Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/46

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

20

XII.

GODS GOEDHEID.

1.

O goedheid Gods! nooit regt geprezen!
 Heet hij een mensch, dien gij niet treft?
Hoe snood ondankbaar moet hij wezen,
 Die ’t hart niet vrolijk tot u heft!
Neen! alles aan God dank te weten
 Zij steeds mijn pligt, mijn werk, mijn lied!
De Heer heeft nimmer mij vergeten;
 Vergeet, mijn ziel! den Heer ook niet!

2.

Wie wou mij wonderbaar bereiden?
 Die God, die mij niet noodig heeft.
Wie wou mij zoo geduldig leiden?
 Hij, wien mijn hart zoo vaak weerstreeft.
Wie sterkt in mijn gemoed den vrede,
 Wie schoort mijn’ geest met nieuwe kracht,
Wie deelt mij zoo veel zegen mede?
 Is ’t niet zijn arm, zoo sterk van magt?

3.

Sla ’t oog, mijn ziel! op ’t ander leven,
 Uw toegewezen erfenis,
Waar gij, met heerlijkheid omgeven,
 God eeuwig ziet, gelijk Hij is.
Die hoop mag u met regt verblijden,
 ’t Is u ten duren prijs gekocht:
Want daarom moest de Christus lijden,
 Op dat gij zalig worden mogt.

4. En