Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/47

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
21
GODS GOEDHEID.

4.

En dezen God zou ik niet eeren,
 Ik zou zijn goedheid niet verstaan?
Hij zou mij raden, ik niet leeren?
 Den weg, dien Hij mij wijst, niet gaan?
Zijn wil bestier’ mijn hart en zinnen,
 Zijn woord blijv’ mij bestendig bij!
God moet ik boven alles minnen,
 En mijnen naasten, zoo als mij.

5.

Dit is mijn dank, dit zijn behagen,
 Ik moet volkomen zijn als Hij;
Mag ik mij naar dit doel gedragen,
 Dan prijkt zijn heerlijk beeld in mij:
Leeft zijne liefd’ in mijne ziele,
 Zij leert mij doen, wat Hij gebiedt,
En schoon ik vaak uit zwakheid viele,
 Toch heerscht in mij de zonde niet.

6.

Dat uwe zorg en tfouwe hoede,
 Mijn God! mij steeds voor oogen zij!
Die sterke mij gestaâg in ’t goede,
 Dat ik U heel mijn leven wij’!
Die leide mij in blijde dagen,
 Die trooste mij in tijd van nood,
En leer’ mij zonder schrik verdragen
 Het aaklig denkbeeld van den dood!

XIII.
C 3