Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/48

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

22

XIII.

GODS GETROUWHEID.

1.

God sprak (men stell’ op berg en rots
 Zijn woord in eeuwig schrift;
En ieder, die dat schrift aanschouwt,
 Die leze, wat Hij sprak:)

2.

„Eens wordt de sterkste rots vergruisd,
 „En ’t hoogst gebergt stort in;
„Maar mijn genaverbond met u,
 „Opregten! wankelt niet.

3.

„Treedt heen door gloeijend vuur en vlam,
 „Door waterstroom en zee;
„En ’t vuur verzengt u zelfs geen hair,
 „En ’t water schaadt u niet.

4.

„Treedt stout door ’t ijslijk schrikdal heen
 „Der schaduwe des doods;
„Vreest daar geen kwaad, ik ken die paân,
 „Ik zal daar bij u zijn.

5.

„Schoon ’t alles ’t onderst boven raak’,
 „’t Gebergt in zee verzink’,
„En d’aard zich uit haar plaats verzett’,
 „Ik zal uw toevlugt zijn!”

6.

Elk leez’ dit als het woord van God,
 En neem ’t geloovig aan:
Want eeuwig en onwankelbaar
 Is, wat Jehova spreekt.

7. Ja,