Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/49

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

23

GODS GETROUWHEID.

7.

Ja, zijn verbond staat eeuwig vast,
 Zoo staat geen berg, geen rots;
En toeft Hij al, Hij kent zijn’ tijd,
 Hij komt, Hij komt gewis.




Van de SCHEPPING en VOORZIENIGHEID.




XIV.

LOF DES SCHEPPERS.

1.

O eindelooze Majesteit!
W’aanbidden uwe heerlijkheid,
 Zoo groot, als onbegonnen!
Zijt Gij bedekt voor ’t sterflijk oog,
Uw naam gloeit aan den hemelboog
 In duizend, duizend zonnen.
O hemel, aarde, zee! hoe luid
Roept gij uws Scheppers glorie uit!
 In u zien Hem onz’ oogen:
Gij meldt een wijsheid, die niet feilt,
Een liefde, die geen Engel peilt,
 Een eeuwig alvermogen.

2.

Wie bragt, o licht! op ’t enkel woord,
„Wees!” u uit zijne schatten voort,
 Toen Gij nog waart verborgen?
O zon! wie teekend’ u het spoor
Door d’ongemeten ruimte voor,
 En roept u elken morgen?