Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/50

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
24
LOF des SCHEPPERS.

O starren! die den donkren nacht
Verheerlijkt door uw stille pracht,
 Wien volgt gij op zijn wenken,
En loopt en wendt in uwe vaart,
Als benden, die ten strijd geschaard,
 Op ’t woord huns veldheers zwenken?

3.

„God, God!” roept elk, „ons wrocht zijn hand,
„Wij allen zijn van zijn verstand
 „Een enkele gedachte!”
Dus juichen z’allen uwen lof,
En wij, wij voelen ons in ’t stof.
 Oneindig’! uw geslachte.
Wat nacht zich om ons henen stort’.
Een wijz’ en liefdrijk’ oorzaak wordt
 Ook van den mensch geprezen.
O stervling! hoe gij hier ook schreit,
God riep u tot aanwezigheid,
 Het doel moet godlijk wezen!

4.

Ja, groote Schepper van ’t heelal!
W’ ontzonken door den diepsten val
 Aan onzen eersten luister.
De trekken van uw heerlijk beeld.
Ons eens zoo glansrijk meêgedeeld.
 Verzwolg een aaklig duister:
Maar in dien nacht van ’t bangst verdriet
Ontzonken w’aan uw liefde niet;
 Wij durven wederkeeren,
Daar w’U op een’ genadetroon.
Gegrond in ’t bloed van uwen Zoon,
 Ook als Herschepper eeren.

5. Nog