Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/51

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
25
LOF des SCHEPPERS.

5.

Nog spreekt uw almagt: „Er zij licht!"
En nacht en duisternisse zwicht
 In onze donkre harten,
En onder eenen tranenvloed,
Dien ’t waar berouw ons weenen doet,
 Kiemt ons geluk uit smarten.
Dan zien w’ in Jezus, onzen Heer,
In U den lieven Vader weêr,
 Die alles heeft vergeven;
En ons, door U ter deugd bereid,
Door deze zigtbre schepping leidt
 Tot een onsterflijk leven.

6.

Hoe blinkt in bloem, in gras, in kruid,
Dan een weldadig’ almagt uit,
 Waarop wij veilig bouwen!
Hoe blinkt ons dan in zon en maan
En starren loutr’ ontferming aan,
 Die uitlokt tot vertrouwen!
Gij houdt wat G’eenmaal schiept in stand,
En laat de werken uwer hand,
 Oneindige! niet zinken.
Ook wij, een prooi des diepsten noods,
Zien uit het lage stof des doods,
 Een eedler schepping blinken.

7.

Hoe heerlijk zijn uw werken, Heer!
U dank’, U loov’, U prijz’, U eer’,
 Wat is, wat was of worde!
Gij schept uit lijden hemelvreugd,
Uit zond’ een’ hooger’ trap van deugd,
 En uit verwarring orde.

O
D