Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/52

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

26

LOF des SCHEPPERS.

O zaligheid van ons gedacht!
Hoe zwijmt bij ’t heil ons aangebragt.
 Hier lof en dank te gader!
In Adam door den dood geveld,
In Jezus schooner weêr hersteld!
 Lof, Halleluja, Vader!

XV.

LOF des SCHEPPERS.

1.

Hoe blinkt uw majesteit alom
In ’t onbegrensde heiligdom
 Der schepping, eeuwig’ Koning!
Straalt ons bij nacht de hemel aan,
Dan zien wij maan en sterren staan,
 Als wachters voor uw wooning:
Verlicht de zon ons oog bij dag,
Zij leert ons, vrolijk met ontzag,
 In haar uw licht aanschouwen;
Zij is de spiegel, die ons ’t beeld
Van uwe volheid mededeelt,
 En uitlokt tot vertrouwen.

2.

Bij ’s werelds aanvang sprak uw mond:
„Het licht zij daar!” en ’t was terstond,
 De duisternis werd luister:
Zoo zal eens ’t heil ons toegezeid,
Op uw bevel, met majesteit
 Verrijzen uit het duister.
Laat, Heer! uw licht zijn’ zachten gloed
In ons verkleumd en stug gemoed,
 Door levenswekking, toonen;
Dan zal ons hart, dat U verwacht,
In ’t licht uws aanschijns, ook bij nacht,
 Getroost en zeker woonen.

3. In