Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/53

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
27
LOF des SCHEPPERS.

3.

In mensch en dier, in bloem en kruid
Blinkt wijsheid en vermogen uit,
 Uw liefde schept hun leven;
Aan ’t schepfel reikt Gij voedsel toe,
En, nimmer ledig, nimmer moe’,
 Stelt Gij uw eer in ’t geven:
Dit predikt ons het gansch heelal,
En zee, en woud, en berg, en dal;
 De stemmen vloeijen zamen;
Zij roepen luide: wordt verlicht!
En zeg, o mensch! met toeverzigt
 Op Gods beloften, Amen.

4.

Nog heeft de schepping schooner’ glans
Voor ons, nu wij aan ’s hemels trans
 De wooningen aanschouwen
Van Hem, die schuld om niet vergeeft,
En daar als onze Vader leeft,
 Aan wien w’ ons lot betrouwen:
’t Verhelderd oog zoekt nu alom,
Om Jezus in dat heiligdom,
 Door ’t stil geloof, te vinden;
Tot Hij ons zelf in heerlijkheid,
Door ’s hemels ruime velden, leidt
 Als zijn verhoogde vrinden.

5.

De rijke, vrolijke natuur
Doe ons haar schoonheid, uur op uur,
 Vollediger bevatten;
Hoe meer zij ons den Schepper toont,
Hoe meer zij onze vlijt beloont,
 Hoe hooger wij haar schatten.

Een
D 2