Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/54

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

28

LOF des SCHEPPERS.

Een zoon beschouwt zijns vaders magt,
Zijn’ rijkdom, wijsheid, lield’ en pracht,
 Met oogen nooit verzadigd;
Hoe scherp beluistert hij die stem,
Die van zijn’ vader spreekt tot hem,
 Zijns vaders eer verdadigt.

6.

Als wij in droom of waterval,
In zee, in storm, bij rots of dal
 Gods majesteit bewondren,
Dan zwelt een traan in ’t kinderoog;
Ja, moedig hooren wij omhoog
 Den God der eere dondren.
Is Hij een God, die ons behoedt,
Maar elken vijand vlugten doet
 Als golven voor de winden;
Dan is Hij ’t ook, aan wien w’ in nood,
Ook in den strijd met hel en dood,
 Een rots der eeuwen vinden.

7.

Vertoont ons worm, en rups, en mier,
En vlieg, en mug, ja ’t kleinste dier
 Zijn wijz’ on goede wetten,
Dan stremt ons onze kleinheid niet,
Om ons vertrouwen, bij verdriet
 En leed, op Hem te zetten.
In Jezus Christus zijn wij groot,
Hij Midlaar, ’s Vaders Troongenoot,
 Verhoogd’ ons tot zijn leden:
Zou God, daar Hij zijn’ Zoon bemint,
Aan hun, die Hij in Hem bemint,
 Zijn’ rijkdom niet besteden?

8. Laat