Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/57

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
31
GODS VOORZIENIGHEID.

10.

 Niets, niets is ’t mijn,
 Maar alles Gods geschenken.
Mijn hart, o Heer! zal eeuwig aan U denken,
 Uw lof op mijne lippen zijn.

11.

 Wie kent de pracht,
 Waarmeê uw wondren pronken?
Elk stofje zelfs, dat G’aanzijn hebt geschonken,
 Verkondigt zijnes Scheppers magt.

12.

 In gras en halm
 Zien wij zijn wijsheid pralen;
Gij lucht, gij zee, gij velden, bergen, dalen!
 Gij zijt zijn loflied, gij zijn psalm.

13.

 Gij drenkt het land,
 Schenkt blijdschap allerwegen,
En dag en nacht, en koorn en wijn, en zegen
 Ontvangen wij van uwe hand.

14.

 Valt hier op aard
 Geen musch, dan met uw’ wille,
Heer! dat mijn hart zich met dien troost dan stille,
 Dat d’eigen zorg ook mij bewaart.

15.

 Is God mijn schild,
 Wil God mijn Redder wezen,
Wat heb ik dan met mijnen God te vreezen,
 Wat woede d’ afgrond om mij spilt?

XVII.