Pagina:FrankVanDerGoesWerk1939.djvu/37

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


door iets beters worden overtroffen. De letterkundige redactie van den Gids heeft niet tot hare beschikking: kracht van stijl om ons te verpletteren; scherpte van redeneering om ons in het ongelijk te stellen; eigen productie in poëzie of proza om de onze te overschaduwen. Wat heeft zij dan? Haar stijl, maar men kan niet spreken over wat niet is. Haar redeneering gaat niet dieper dan verwacht kan worden van een kroniekschrijver, die nog steeds verklaart niet te begrijpen. Hare eigen gedichten en proza-stukken houden haar stijl gezelschap. Ik noodig u uit, mij terecht te wijzen. Inderdaad, met welke wapens zoudt gij begeeren, dat de strijd waarvan gij spreekt, werd gestreden?

Als letterkundig orgaan is de Gids overbodig. De redactie zelve "voelt zich niet onmisbaar". De uitgever zal daarentegen denken: zoolang ik een tijdschrift met vijftienhonderd abonnés bezit, acht ik dat tijdschrift voor mijn wereldsch welvaren verre van onverschillig. Voor den Gids is dan ook enkel een administratief bestaan denkbaar. De bijdragen komen in, en de Heer Van Kampen behoeft slechts een intelligenten bediende om ze te schikken in een zekere volgorde. Zonder redactie zou men ook het ongracelijk balspel missen, dat de politieke redacteuren in deze ernstige tijden met elkaar uitvoeren. In het literaire volkomen uitgepraat, verdeeld in het staatkundige, in beide zonder idealen, beginselen of zelfs voornemens, zou deze redactie tevergeefs ons het tegendeel van hare bekentenis hebben willen opdringen. Geen medewerker die weet dat zijn stuk door het heele land zal worden verspreid, en dat hij bovendien behoorlijk gehonoreerd wordt, zou zijn bijdrage aan den uitgever onthouden, al wist hij dat de Heeren Van Hall en Honig over de letterkundige, de Heeren Quack en Boissevain over de politieke opstellen niet meer zouden disputeeren. Van het tijdschrift Nederland is de geheele redactie afgetreden. Ook zij voelde zich niet onmisbaar, maar zij voegde de daad bij het woord. De literaire kroniek van den Heer Smit Kleine was sedert de Julia-historie aan het kwijnen ge-

33