Pagina:FrankVanDerGoesWerk1939.djvu/38

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


slagen. Wie zal nog ontkennen dat de oude redactiën uit onze Romantiek voortgekomen, als literaire corporatiën hebben opgehouden levenskracht te bezitten? Uit een tweede huwelijk dezer matrone zijn eenige zonen gesproten, die de deugden der moeder prijzen als goede kinderen. Maar toch ook niet beter dan kinderen. Oudere en steviger knapen hebben nog eens het woord gevoerd in het jubel-nummer van Den Gids, dat met December verschenen is. Het verschil tusschen hen en de tegenwoordige Gids-redacteuren is groot. Het bestaat voornamelijk daarin, dat de anderen wat te zeggen hebben, tenminste wat te zeggen hebben gehad, en de jongeren niet.

Men kan zonder eenige overdrijving beweren, dat door de helft der tegenwoordige redacteuren nog de eerste principieele bladzijde moet geschreven worden, die vroeger noodig was om bestuurder van den Gids te worden. Men moet of het geheele jongere geslacht negeeren, of erkennen dat De Gids geheel buiten de beweging staat, die de beweging is van onzen tijd. Dat is reeds genoeg gezegd. Wie ter wereld kan meenen, dat hij ingelicht is over de literaire inzichten en bedoelingen van deze Heeren? 't Is waar, zoodra hunne voorgangers over het moderne beginnen, verheffen ook zij zich niet boven een middelmatige journalistiek. Van banaliteiten zijn de opmerkingen van den Heer Vissering over het naturalisme moeilijk te onderscheiden, maar in de vrij duidelijk uitgesproken hoop, dat althans iets van zijn oude idealen bij het jongere geslacht in eere mag blijven, ligt de onmiskenbare zekerheid dat hij idealen heeft gehad. En zoo zijn ook de andere stukken. In een stijl, die de hunne is, spreken zij over het verleden, dat hun eigendom was. Dit nummer is een afscheid, een terugblik, een lijkrede, een testament, het is Hamlets vader, maar hij is nog flink geharnast en het testament is eigenhandig, duidelijk geschreven, en de stem is even vast als het oog onbewogen. Men heeft hunne dictie maar te vergelijken bij het schrijven van hunne opvolgers, om de décadence waar te nemen. Minder in wat zij zeggen dan in hunne manier van spreken ligt de groote historische waarde van deze af-

34