Pagina:Frank van der Goes Herinneringen Nieuwe Gids (1931).pdf/136

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


zekere citaten in het hier voorafgaande niet te vragen—deze gedachte te hebben toegelicht, gaat Verwey voort met een uiteenzetting van de vroegere omstandigheden. Het geringe getal jongere kunstenaren dat zich afscheidde, zegt hij, vormde een soort van krijgsstaat—daartoe door de noodzakelijkheid gedreven.


En als in alle krijgshaftige organisaties werd het gezag er onfeilbaar en diktatoriaal...
Van de neiging tot zulk een militär-staat mag nu wel iets over zijn; maar de tijd er voor is voorbij. Open, meer dan open zijn de ooren van onze landgenooten voor al wie een plaats weet te veroveren op een katheder waarvan hij te hooren valt...


En, na ook die stelling nader te hebben gestaafd, besluit de schrijver dit deel van zijn betoog met deze vraag:


Wat wil men meer? Stormloopen op deze vriendelijke menigte? Laten wij hun liever gezamenlijk een gastmaal aanbieden van het beste wat elk van ons heeft.


Verder behoeven wij den gedachtengang van het stuk niet in bijzonderheden te volgen. Verwey erkent dat de litteraire beweging waaraan hij deel neemt niet wezenlijk bestaat in de uiting van enkel individueele gevoelens, maar dat die gevoelens te

135