Pagina:Frederik van Eeden-Johannes Viator(1895).djvu/100

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
96
JOHANNES VIATOR.
 

meer in de macht van dit vuile dier, eer hij de schrikkelijke klauwen ziet en den walgstank ruikt.


Zoo was al vroeg een bangheid neergevlogen in mijn kinderziel, als een zwarte vogel, die stil blijft zitten wachten op een tak.

Ik was schuw geworden, zooals een kind dat ééns verschrikt is. En mijn onnoozele gedachten begon ik zorgelijk te hoeden, als een herder die wolven speurt.


En zie nu, dit was het heerlijke, het wonder, het nù zoo diep-aandoenlijke: mijn Liefde bracht een volkomene en zalige veiligheid, — er was geen angst, er was geen gevaar. Slecht was niet.

Zie, ik kon de lammeren vrijlaten tot ver aan den lichten goudhorizon — zij gingen in eeuwige gerustheid. Mijne gedachten vlogen ver, ver — eindeloos ver, zij ontmoetten het te vreezene niet.

Want deze vrouweziel was een grenzeloos meer, een aard en hemel doordringend en omhullend meer van volmaakte licht-helderheid. Mijne gouden pijlen doorvlogen het en konden het in aller eeuwigheid doorvliegen, zij zouden het donker niet raken.

Dit is het, wat de menschen rein noemen, maar zij weten weinig wat het is.