Pagina:Frederik van Eeden-Johannes Viator(1895).djvu/101

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

vvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvv

 

IX.

 

Het steeg, het steeg, het vlamde hooger, het zong luider.

Het kwam nabij. Het kwam als een groot leger over de vlakte. Men weet niet wat men ziet in ’t eerst. Is het schitteren van koren waarover de wind lange voren sleept? Is het blinkend op-gewaaid stof? Zijn het witte schapen, wit vee dat draaft? Maar het golft breed donker, en schittert en vonkt daarboven. Het zijn fonkelende wapenen en sterk aanschrijdende mannen. Het is goud van helmen, dat plotseling vuurschiet in de zon, — het zijn vaandels — het is een groot, triomfantelijk, welgeordend leger, — het komt van alle zijden — het komt in dreunend gerucht, in wappering van kleuren, — een heer van macht en schoonheid.


Het kwam. Het kwam als een gezang van duizenden, een groot koor dat opdaagt in den nacht, van heel ver.

7