Pagina:Frederik van Eeden-Johannes Viator(1895).djvu/48

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
44
JOHANNES VIATOR.

daarbuiten, boomen, bloemen, dieren, levend onder elkaar, Windekind's rijk van mysterie, waarin ik, kleine vreemde, thuis was geweest als een hoog, gehuldigd gast.

Een gast, immers niet meer? Ik was daar als een kind dat het goed heeft bij vreemden, en daar liever is, omdat het thuis geslagen wordt. Maar nu ving ik aan te gelooven, dat ik het ook thuis goed kon hebben, en dat dit het allerbeste was.


Het is niet goed,—het is een groot kwaad en een groot leed als een kind zich vreemd gevoelt in 't eigen thuis. Dit was mij wel bewust, toen mij een ding, een bloem, een dier liever was dan één van hen die mij 't meest geleken. Hoe blij, hoe als van pijn verlicht, hoe uitbundig heb ik gegeven de bloeisels mijner affectie aan dit nieuwe, dit heerlijke, dat nu van menschen kwam en toch waarachtig schoon.


O menschheid, mijne moeder,—heb ik u dan ooit niet lief gehad? Wie kan dit in waarachtigheid zeggen,—wie is niet blind, of verbijsterd van zinnen, of ziek van verstand die zegt dat hij zijne moeder haat?

Neen, dit heb ik niet gezegd,—dit heb ik nooit gezegd,—gij weet het wel, ik heb u altijd liefgehad, ook in mijn ontvluchten, mijn hoon, mijn bitterheid en mijn verachten. Want dit kan niet anders, daar is niemand