Pagina:Frederik van Eeden-Johannes Viator(1895).djvu/51

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
47
HET BOEK VAN DE LIEFDE.

kusten. Maar ik was geheel en al onwetend waar ik was en ik begreep er niets van.

Want deze kaart is slecht. Zij maakt er maar wat van, elke rivier is maar zoowat een slangenlijntje, en voor groote, vreemdgevormde berglanden staat een enkel gevederd streepje. Ook zijn alle steden maar cirkeltjes, en hebben de landen nette roode of blauwe randen.

Hoe lang duurt het eer wij weten wat dit alles werkelijk verbeeldt en hoe weinig het gelijkt op de realiteit!

Heel wijs sprak ik mee over al de dingen uit het menschenleven, over liefde, en geluk, en zonde, en God,—maar stil wandelend in mijn eigen groot, geheimzinnig land dacht ik bij mijzelven:»wat meenen zij nu? waar ben ik dan? Hoe zal ik zóó den weg vinden?«

Want het is alles anders. De steden zijn geen cirkeltjes, de stroomen geen slangetjes, de bergen geen gevederde streepjes en de landen zien niet rood of blauw. Hoe oneindig veel meer is er, hoe veel mooier is het werkelijke, en hoeveel is er niet of gansch verkeerd geteekend. Een groot bedrog schijnt het alles,—ik heb wel alle geloof er aan opgegeven, en in bittere berusting den moeielijken weg alleen gezocht. En later, nu nog, dag aan dag—verbaas ik mij, ziende dat het niet alles valsch en bedriegelijk is.


O gij menschheid, gij barsch, verbijsterd, in kleine