Pagina:Frederik van Eeden-Johannes Viator(1895).djvu/52

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
48
JOHANNES VIATOR.

hardheid ontaard wezen, nijdige burgervrouw,—ik had u mooi gevonden, voor 't eerst schitterend en innig mooi,—en gij hebt hard neergeslagen den ranken groei van mijn teedere, kinderlijke blijheid,—gij hebt mijn trouwhartig geluk bespot en mijn eerste oprechte liefheid weggeworpen, want toen ik nu het allermooist had gevonden, dankbaar denkend: »dit is de goede weg!« toen heb ik uit uw spottend gezicht moeten begrijpen dat ik dwaas en erbarmelijk verdwaald was.


Toen ik mijne Liefde vond, heb ik gezegd: dit is de liefde der menschen niet. Dit is niet de liefde waarvan menschen praten. Maar men heeft mij uitgelachen.


Toen ik mijnen God vond, heb ik gezegd: dit is de God der menschen niet. Den God waarvan menschen praten vind ik niet, die is geen God, een schijnbeeld.

En men heeft mij niet verstaan en mij boos bejegend.