Pagina:Frederik van Eeden-Johannes Viator(1895).djvu/56

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
52
JOHANNES VIATOR.

grijslicht huis van mijn gewoon menschzijn, waar ik de dingen allen ken, en ze allen vlak en klaar zie, in nuchteren dag.

De wind leeft en beweegt, de onherbergzame zee is licht en bewegend,—in hen is geen ontzetting als daar is, in dat dreigend opwelvende zwart, in die roerloos woeste goudspattingen.


Rustiger, rustiger, alles. Nu weet mijn ziel niet beter of het golvengerucht is goed,—het moet er zijn en bedreigt mij niet, het is mij om 't even als het gaan van mijn adem. De nachthemel staat nu wijd en stil, een kalm beschermend baldakijn. Daaronder liggen mijn gedachten in vrede en zien onverschrokken op, zij nemen nu ster voor ster, aardige lichtjes, lampjes klein en vriendelijk. Wat zijn er veel!


»O Marjon, weet gij het?—Ik ben gelukkig. Ik ga mijn kinderen vinden, mijn twee lieve kinderen. Daarvoor gebeurt dit alles. Daarvoor doe ik dit. Ik ga over zee, ver, alleen. Ik kan vergaan en verdrinken—en ik vrees niet, maar ben gelukkig. Ik heb niet gerust en veel moeite en veel werk gedaan, opdat ik zou kunnen gaan om hen weer te zien. En nu zal ik hen weerzien. Ik zal zien de kleine voeten naar mij toebewegen—en de tengere lijfjes. Zij zullen het lange