Pagina:Frederik van Eeden-Johannes Viator(1895).djvu/59

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
55
HET BOEK VAN DE LIEFDE.

denk? Laat het zoo zijn, Iaat het toch zoo zijn. Ik wil dat het zoo zijn zal.

De weg is ver. De zee is overal om mij en diep onder mij, diep, diep. Het is griezelig. Ik was zooeven een beetje bang. Nu niet meer. Ik ben ver weg, in gevaar. Dit is alleen om hen en ik ben niet bang. Dit is goed en heerlijk. Ik ben blij.«


In den slaap de beweging en het gedreun, het leven der vreemde geruischen en geruchten en geluiden, allen dicht om mij, mij herinnerend de actie van mijn wezen. Het doen, het gaan, het braveeren ter wille van iets moois, het allermooiste. Ik slaap, maar ik ben niet stil. In den slaap de gestadige blijheid.


O rijke, feestelijke morgen. Feestdag-zon, glorie-licht, triomfantelijke breed-lichte rivier aanstroomend uit het vreemde land. Het was maar schijn, die angst. De zee is goed, warm, lichtend-vriendelijk. Het is een goede, warme grootheid.

Zie, nu word ik gebracht naar mijn geluk. De zee heeft mij bang gemaakt, maar nu toch veilig gebracht in den nacht naar mijn groot geluk. Nu glimlacht ze. Het was zoo erg niet. De zon wist het wel, staat rustig te schijnen. En vele schepen, ijverig, varen rustig toe, welvertrouwd op het water. Om mij, links en rechts,