Pagina:Frederik van Eeden-Johannes Viator(1895).djvu/61

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
57
HET BOEK VAN DE LIEFDE.

de stad. Een donkere wereld vol macht en geheimzinnigheid. Een dicht gewirwar van schepen, grauw-violet, komt om mij heen, hoog,—tusschen groote, zwartrijzende huizenmassaas, een somber bosch, een onbegrepen verwarring van geduchte, machtige dingen, bemanteld in éenzelfden grauwen damp, het water daar-onder, onbestemd licht, vaag golvend heen en weer. Boven, de lucht fijn, gelijkmatig licht.


Mijn geluk,—ik kom hier om mijn groot, mijn eenig geluk. Wat is het ook weer? Het is maar heel klein, iets heel onbeduidends, geloof ik. Ik ben belachelijk met dit kleine doel in deze groote dingen. Ga ik dit nu alles voorbij, dit groote, sombere, machtige,—een klein lijfje met een klein verlangentje naar de korte genietinkjes van minuut op minuut,—ga ik dit voorbij en mag het mij niet roeren? Waarom geloof ik nu dat ik mij vergist heb?

Wat is er hier grooter dan de zee, geweldiger dan de sterrenlucht? En toch lag over de zee mijn verlangen gansch, en het vulde den ganschen hemel. Op het water, in de luchtwijdte was ik niet klein, mijn begeerte niet, mijn emotie niet.

Maar hier, in de sombere drukking van dit onbekende leven, in het donkere druischen rondom mij van duizende vreemde gebeurtenissen, in deze ondoorgrondbare wil-