Pagina:Frederik van Eeden-Johannes Viator(1895).djvu/67

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
63
HET BOEK VAN DE LIEFDE.

lust was als watten in mijn mond. Ik dorstte naar het vaste, het harde, het heldere, het scherpe. Mijn ziel was een wolk van vormloos verlangen.

Mijn arm geluk, hoe werd het tot lijden.

Naast mij gingen mijn twee kinderen, hun kleine handen in mijn handen. Zij praatten veel en deden druk bewegelijk. Zij sprongen half voor mij uit, zich naar mij toewendend, aan mijn armen trekkend, mij gestadig aanpratend, aanhakend mijn moede, overgevoelige ziel met de scherpe haaltjes hunner fijne vraagstemmetjes.

Toen voelde ik langzaam, wat eens mooi geweest was, gansch ontoereikend worden. Het schoon der blonde haren, het lief der wisselende houdingen, de zuivere klank der kinderstemmen, het beeldde zich af op mijn gemoed als een ledig spinsel van vormen en klanken. Het was een fijn gerei van vluchtig schoon, waarin ik mijn smachtend wezen niet laven kon. Het was ijl, onbevredigend, niet vast, niet voedend, niet sterk, niet grijpbaar.

En daarop, in dezen toestand, werd nu het fladderen dier twee luchtige, blikkerende dingen om mijn loome, matte ziel, een hinder, een groote kwelling.

Dat kleine, levendige, klare, onbewuste was als stekende angels voor mijn dof, machteloos naar bewustheid worstelend ik.

Hun lichte, snelwisselende gedachtetjes, hun heldere, koude stemmetjes waren scherp schrijnend, fel pijnigend