Pagina:Frederik van Eeden-Johannes Viator(1895).djvu/68

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
64
JOHANNES VIATOR.

voor het zware, somber onderdrukt liggende, zwoelbroeiende in mij.


Dat was of nu wel alles mij begaf. Als ik iets moois vind in mijn wereld, dan is dat mooi mijn toevlucht, mijn rots, daarop bouw ik het huis mijner zaligheid,—mijn schip, ik belaad het met de gansche have van mijn geluk,—mijn eenig kind, mijn eenigst dierbare, zijn leven is mijn leven, zijn kwijnen is mijn ellende.

Toen nu mijn eerste mooi wilde vergaan, toen was het ook of de vastheid der aarde verging onder mijn voeten, of ik duizelde, of ik viel, viel, in afgronden van somberheid zonder genade.

Maar er is een wil in mij, die mij omhoog houdt en doet leven, ondanks mijzelven, zonder dat ik weet hoe en waarom.

Deze drijft mij, als een wijs en geduldig ruiter een dwarsch en onleerzaam paard. Honderdmaal moet het dolen, maar de ruiter houdt aan en verzwakt niet en geeft niet toe, telkens weer terugbrengend en op nieuw vermanend tot het beter verstaat en gaat den eenen, immer-bedoelden weg.

Maar nu was ik verbijsterd en koppig en baloorig. Niet begrijpend, niet wetend waarheen en toch den prikkel voelend, zou ik door muren heengeslagen en den toom verbroken hebben.