Pagina:Frederik van Eeden-Johannes Viator(1895).djvu/69

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
65
HET BOEK VAN DE LIEFDE.

Dit heb ik begeerd. Nu is het bij mij. Waarom voldoet het mij niet?

Ik heb mij niet vergist. Ik wil mij niet vergist hebben. Het was mooi. Het is nog mooi.

Ik wil het nu genieten. Ik wil het hebben. Het in mij opnemen, het vastnemen, dat het mijn is. Het moet mijn zijn. Hoe zal ik dan doen? Zal ik het omvatten met mijn armen, het drukken aan mijn lijf? Zal ik het inademen, het indrinken,—het pakken, vatten, vastleggen aan mijn ziel, innig vervlechten met mijn innigste, het doen doordringen in alle dingen die mijn leven zijn,—mijn voelen, zien, mijn ruiken, proeven?—O wee! o wee! ben ik dan een wolk, een damp, een ijle schijn, een bedriegelijke schim? Kan ik niet werkelijk leven?


De avond kwam, de zon brandde rood, als in een oven, vol stillen, grauwachtigen rook.

Er was als een groote mysterie in de lucht, in de hooge, wollige wolken, de roerlooze rotsen, de vlakwoelende zee. Het was als een groote vertooning om mij te verblinden, een superieur spotachtig prachtvertoon, tot verbijstering van ééne eenzame ziel midden-in.

Het lag alles om mij heen, in den rustigen hoon van meerderheid, in zijn vervaarlijke pracht, mij eenzame, verlatene, niet-wetende, omringend met kalm, gevoelloos,