Pagina:Frederik van Eeden-Johannes Viator(1895).djvu/70

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
66
JOHANNES VIATOR.

wel-wetend schoon, een muur van demonische heerlijkheid.

Er was een bedwongen zacht spotlachen achter het scherm der groote, mij als niet-ziende wolken,—de zee ruischend voor zich, als mij niet bemerkend,—de rotsen star onverschillig,—maar allen in een verstandhouding vol geheimen, mij ten doode toe beangstigend. Vreemd gleed het licht langs mij weg. Het prevelde, murmelde, lachte zacht onder elkaar. Snelle melodiën gleden kort, hoog-zilverig op en neer door de wijde ruimten der hemelen.

De zon alleen keek mij aan, een groot, fel strak oog zonder mededoogen,—van uit al het mij niet merkende—mij waarnemend met verschrikkelijke, lachlooze vastheid—wijdopen op mij gericht, mij aanstarend met starre, vreemde opmerkzaamheid.

Hij zonk onder,—langzaam werd zijn roode blik geloken,—maar die bleef op mij, onafgewend tot het laatst,—tot hij zich loom keerde in zijn eigen duistere mysteriën.


Van daar ben ik weggegaan in wrevel, in onverschilligheid. Met lust tot hard spreken, tot sterk bewegen, tot lachen.

Mijn kinderen droeg ik, beurt om beurt. Met bittere voldoening ondergaand de pijn van vermoeienis,—lang, lang volgehouden.