Pagina:Frederik van Eeden-Johannes Viator(1895).djvu/79

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
75
HET BOEK VAN DE LIEFDE.
 

man met zware, bloedvolle leden — en mijn donkere grofheid mag u niet begeeren. —


Toen ik dit gezegd had ben ik stil geworden en vastberaden. Ik heb volgehouden te willen dat het zóó zijn zou.

Maar of ik Marjon al niet wilde, zij wilde mij. Ik kende haar niet en zij is veel machtiger dan ik. Zij heeft mij nooit verlaten en ingegrepen in mijn leven, aldoor, ongezien.


Ik was thuis en de dagen van den zomer, de groenige, lustige, lichte dagen vol zon zijn daar voor mij opengegaan.

Het was zomer, en in mijn herinnerend verbeelden zie ik nu de lichte zomergestalte, die door eene langzame verandering werd de kern en concentratie van mijn eigenlijk waarachtig leven. Wij weten dit altijd wel: dit is het bijkomende, het uitstroomende, het kleine verspreidde, — en dit is de kern, het hart van ons leven, ons waarachtige leven. Wij gaan door het dicht gewoel van kleine en groote daden, wij voelen het dagelijksch geplaag der kleine zorgen, wij hooren het verwarde wereldgedruisch, — maar daarbij is maar één die ons vergezelt, één lange smart, één gestadige melodie, die is het onze, ons eigene. En dit getrouwe komt